schuim — foam

Mijn dochtertje schaterde van het lachen om al het schuim in bad.
My daughter burst out laughing at all the foam in the bathtub.


schateren (schaterde, geschaterd) – roar (with laughter)
het schuim – foam


I don’t quite understand why “lachen” is used in the sentence.
1. If it’s a plural form of “lach” then why with “het”?
2. If it is a verb then it makes the translation even more confusing!

Word order in a Dutch sentence.

1. The main verb must always be the second item in a sentence.
2. The position of the subject may vary. It might be the first or the third.
3. The rest of the items always follow this order: time, manner, place. So the time of the even is specified, then the manner of the event (i.e. in what way something is done) and the last item specifies the place or destination.

De jongen gaat vanavond met de trein naar Amsterdam.

item number 1 2 3 4 5
item description subject main verb time manner place
sentence De jongen gaat vanavond met de trein naar Amsterdam

It is possible to start a sentence with items other than the subject. For example, with an expression of time:

Vanavond gaat de jongen met de trein naar Amsterdam.

item number 1 2 3 4 5
item description time main verb subject manner place
sentence Vanavond gaat de jongen met de trein naar Amsterdam

Notice that even though de jongen is now item 3,
the overall order of time, manner, place remains.

Negation: nee, niet, geen

I’ve started doing the revision exercises from the 6th unit of Di3M and realized that I need to revise the rules first, as there are a couple.


Negating with nee and niet.

nee — no
niet — not

Niet often is often put in the end of the sentence:
Nee, ik drink niet.
Ik zie de man niet.

But here are the cases when niet  doesn’t happen to be the last word.

1. Niet always precedes a preposition:
Hij woont niet in Amsterdam

2. Niet always precedes an adjective which follows the noun:
Het huis is niet groot.

3. Niet always precedes binnen, buiten, beneden, boven and  thuis.
De kinderen spelen niet boven.


Negating with geen.

The word geen is used to replace the an indefinite article:
Ik heb een peen → Ik heb geen pen.

Geen is also used with the uncountable things like water, wijn, bier and such:
Ik drink wijn → Ik drink geen wijn.

Kleuren — colours.

It’s a good time to revise the colours in Dutch.

Basic colours:

rood
roze
geel
blauw
oranje
groen
violet
bruin
wit
grijs
zwart

A large portion of the colours in Dutch one might think of is given here: Lijst van HTML-kleuren


Some less-frequently used colours:

oranjerood
donkerrood
dieproze
goud
middenvioletrood
turkoois
lichtblauw
hemelsblauw
donkeroranje
tomaat
groengeel
limoen
purper
sneeuwwit
ivoor
lichtgrijs
silver

donker – dark
het donker – darkness
diep – deep
het goud – gold
het midden – middle, center
het turkoois – turquoise
de hemel – sky, heaven(s)
licht – light
de limoen – lime
de sneeuw – snow
de ivoor – ivory


Rode kleuren, roze kleuren, gele kleuren, blauwe kleuren, oranje kleuren, groene kleuren, paarse kleuren, bruine kleuren, witte kleuren, grijze kleuren

De sok — sock

Toen ik een rode sok bij mijn witte wasgoed had zitten, werd dat helemaal roze.
When I put a red sock with my white laundry, it all became entirely pink.


toen – 1. when 2. then, in those days
de sok – sock
het wasgoed – wash, laundry, linen
werd – past tense form of worden