Quickly read through a book description on ebook.nl.
The screenshot of the page with the text is in the bottom of this post. Here’s the main text and some vocab.

Voor iedereen die wel wat hulp kan gebruiken bij zijn Android-tablet, van welk merk dan ook, biedt dit boek uitkomst. Android-expert Joris De Sutter legt de werking van Android op je tablet uit en gaat stap voor stap langs de belangrijkste functies, toepassingen en apps. Dankzij dit boek zul je je tablet optimaal benutten. Na een algemene introductie leer je hoe je persoonlijke voorkeuren kunt instellen en lees je alles over internet en e-mail, de agendafunctie, muziek-, foto-, en videobestanden, updates, back-ups van je gegevens en synchronisatie met andere apparaten. Dankzij de vele kleurenillustraties en de heldere uitleg weet je binnen no time je weg te vinden op je Android-tablet. Geschikt voor Android 4.0 Ice Cream Sandwich en 4.1 Jelly Bean.

het merk – brand
langs – along
bieden – to offer
de toepassing – use, employment
stap voor stap – step by step
dankzij – thanks to
benutten – utilize, make use of
algemeen – public, general, universal, common:
de voorkeur – preference
de keur – choice (selection); hallmark
het gegeven – data, datum, fact, information
helder – clear
uitleggen – to explain, to interpret (to “lay out”)
weten – to manage
geschikt – suitable
het bestand – (computer) file
het verlangen – longing, desire
verlangen – to long for, to crave
het verlanglijstje – wishlist

http://www.ebook.nl/store/android-voor-tablet-p-202337.html

Android_voor_de_tablet

http://www.ebook.nl/store/android-voor-tablet-p-202337.html

Advertisements

Noun antonyms

I wrote down this list of noun antonyms a few days ago. It was mostly inspired by 50 languages for Android.
I’ve also input these words in pairs onto the flash cards on Quizlet, so yeah, here are the flash cards, games and tests with these words.


de ernst ↔ de pret | seriousness ↔ fun
de vrede ↔ de oorlog | peace ↔ war
het succes ↔ de mislukking | success ↔ failure
de dokter ↔ de patiënt | doctor ↔ patient
de engte ↔ de breedte | narrowness ↔ breadth
de beloning ↔ de straf | reward ↔ punishment
de uitzondering ↔ de regel | exception ↔ rule
het verbod ↔ de toelating | prohibition ↔ permittion
het dal ↔ de berg | valley ↔ mountain
de ouderdom ↔ de jeugd | old age ↔ youth
het maximum ↔ het minimum | maximum ↔ minumum
de haat ↔ de liefde | hatred ↔ love
het gewin ↔ het verlies | gain ↔ loss
het begin ↔ het einde | beginning ↔ end
de neef ↔ de nicht | nephew ↔ niece
de hemel ↔ de hel | heaven ↔ hell
de leraar ↔ de leerling | teacher ↔ pupil
het respect ↔ de minachting | respect ↔ contempt
de overwinning ↔ de nederlaag | victory ↔ defeat
de schoonbroer ↔ de schoonzus | brother-in-law ↔ sister-in-law
de afstand ↔ de nabijheid | distance ↔ proximity
de zoon ↔ de dochter | son ↔ daughter
het land ↔ de zee | land ↔ see
het vuur ↔ het water | fire ↔ water
het dorp ↔ de stad | village ↔ city
het licht ↔ het donker | light ↔ darkness
de feestdag ↔ de werkdag | holiday ↔ workday
het wantrouwen ↔ het vertrouwen | distrust ↔ confidence
de voornaam ↔ de familienaam | first name ↔ last name
het lawaai ↔ de stilte | noise ↔ silence
de koper ↔ de verkoper | buyer ↔ seller
de roekeloosheid ↔ de voorzichtigheid | recklessness ↔ caution
de uitvoer ↔ de invoer | export ↔ import
de rijkdom ↔ de armoede | wealth ↔ poverty
de afwijzing ↔ de aanvaarding | refusal ↔ acceptance
de domheid ↔ de intelligentie | stupidity ↔ intelligence
het geluk ↔ de triestheid | happiness ↔ sadness
de vraag ↔ het aanbod | demand ↔ offer
het kind ↔ de volwassene | child ↔ adult
het leven ↔ de dood | life ↔ death
de huurder ↔ de verhuurder | renter ↔ landlord
de uitgave ↔ de inkomst | expense ↔ income
de zonsopgang ↔ de zonsondergang | sunrise ↔ sunset
de vrijheid ↔ de gevangenschap | freedom ↔ captivity
de vrek ↔ de verkwister | miser ↔ waster
het geluk ↔ het ongeluk | (good)luck ↔ accident
de moed ↔ de lafheid | courage ↔ cowardice
het nadeel ↔ het voordeel | disadvantage ↔ advantage
de dag ↔ de nacht | day ↔ night
de zin ↔ de onzin | sense ↔ nonsense
de angst ↔ de moed | fear ↔ courage
het antwoord ↔ de vraag | answer ↔ question
het gevaar ↔ de veiligheid | danger ↔ safety
de kennis ↔ de onwetendheid | knowledge ↔ ignorance
de expert ↔ de leek | expert ↔ layman
de oom ↔ de tante | uncle ↔ aunt
het vertrek ↔ de aankomst | departure ↔ arrival
het enkelvoud ↔ het meervoud | singular ↔ plural
de leugen ↔ de waarheid | lie ↔ truth
de gezondheid ↔ de ziekte | health ↔ sickness
de hoogte ↔ de diepte | height ↔ depth
het recht ↔ het onrecht | justice ↔ injustice
de afzender ↔ de geadresseerde | sender ↔ receiver
de gast ↔ de gastheer | guest ↔ host
(de) God ↔ de duivel | God ↔ devil
de vijand ↔ de vriend | enemy ↔ friend