de walnoot — walnut

Mijn vader kraakte altijd walnoten met zijn hand.
My father always cracked the walnuts with his hand.


kraken – to crack. (kraakte, kraakten, gekraakt)
de walnoot – walnut

Advertisements

sowieso: anyhow

Ik ben sowieso niet van plan om vanavond uit te gaan.
I wasn’t planning to go out tonight anyhow.


Het wordt sowieso laat op dat feest. 
That party will in any case go on until late.
(this example is still quite difficult for me to digest :\ )


sowieso – in any case, anyhow:
van plan zijn – to plan; to intend; to propose;
worden – 1. be, will be, come to, get 2. become

Perfect tense: zijn vs. hebben

Like in English, many verbs make their perfect tense with hebben.
Zij heeft gelezen –  She has read.
Ik heb gegeten – I have eaten.

Unlike in English, however,  some verbs  form the perfect tense with zijn only, and there’s another group which forms the perfect tense with both zijn and hebben, depending on a context.


The verbs that go only with zijn denote either a change of place or a change of state.

Change of place:
De trein is vertrokken. – The train has departed.
Zij zijn gekommen. – They have come.

De trein is gestopt. – The train has stopped.
Zij zijn ontsnapt. – They escaped. (ontsnappen – to escape)

Change of state:
Hij is gestorven. – He has died. (stervern – to die)
Zij is geslaagd. – She succeeded.  (slagen – to succeed)

NOTE:
Blijven also always makes its perfect tense with zijn!
Ik ben thuis gebleven.


The verbs that sometimes have zijn and sometimes hebben denote means of locomotion. E.g.: lopen, rijden, fietsen

1. When a destination is mentioned, these verbs go with zijn:
Ik ben naar de stad gelopen. – I walked to town.
Hij is naar huis gereden. – He drove home.
Wij zijn naar Rotterdam gefietst. – We cycled to Rotterdam.

2. When the emphasis is on the locomotion itself
and no destination is mentioned, hebben is used.
Zij heeft vandaag veel gereden. – She drove a lot today.
Heeft u gefietst of gelopen? – Did you cycle or walk?


NOTEzijn always has zijn as it’s auxiliary verb in perfect tense!

Di3m Week 6 vocabulary

genoeg – enough (plenty, sufficient)
betalen – to pay
de tentoonstelling – exhibition, show, display
verkopen
 (verkocht(en), verkocht) – to sell
spelbreker – killjoy, spoilsport
af en toe – now and again
het geval – case, instance
in ieder geval – anyway, at any rate
in elk geval – anyway, at any rate
zich interesseren – to be interested
ik eet liever … – I prefer to eat …
ik eet graag … – I like to eat
niks = niets – nothing
de ondertitel – subtitle
het plezier – pleasure
plezier hebben – enjoy oneself, have fun
reizen – to travel
de stad in – into town
sterven – to die
het uitstapje – outgoing, trip
fallen (gevallen) – to fall
vanochtend – this morning
want – because (as, for)
winkelen – shop, go shopping

Giechelen – to giggle

Ze giechelde om de haverklap om de flauwe mopjes van haar vriend.


She constantly giggled about the lame jokes of her friend.


giechelen – to giggle
om de haverklap (ieder ogenblik) – every other minute, continually, constantly
flauw – 1. bland, tasteless 2. silly 3. weak 4. lame
de mop – joke
om – points to an object of an action

Di3m Week 6. My task #1.

Learn the following verbs and their past participles by heart.


Strong verbs:
blijven; gebleven
eten; gegeten
komen; gekomen
lezen; gelezen
liggen; gelegen
schriven; geschreven
vertrekken; vertrokken


Irregular verbs:
brengen; gebracht
denken; gedacht
doen; gedaan
gaan; gegaan
hebben; gehad
kopen; gekocht
nemen; genomen
slaan; geslagen
staan; gestaan
zien; gezien
zijn; geweest
zoeken; gezocht